De duinen van Schouwen zijn uniek, al ligt de geschiedenis onder het zand

| Inge Heuff | |

Met rustige, zachte stem en precies formulerend, legt Frans Beekman aan de eettafel in Den Haag uit waarom de Meeuwenduinen van Schouwen hem intrigeren. De oud-leraar aardrijkskunde promoveerde in 2006 op dat gebied. Zo’n vijf jaar geleden rondde hij de rapportage van zijn veldonderzoeken af. Sindsdien schrijft hij er nog geregeld over, maar het struinen in de duinen is voorbij.

Ruim vijf jaar geleden liep hij nog door een van de drie stuifduinvalleien in de Kop van Schouwen. Samen met zijn Haagse kompaan en geoloog Bert van der Valk organiseerde hij in 2019 voor de laatste keer een veldonderzoek. “We hebben vanaf 1990 drie campagnes gehouden om meer kennis over het gebied te krijgen”, vertelt Frans. “Toen we begonnen had de Kop van Schouwen nog twintig stuifduinvalleien, nu zijn het er nog drie. De rest raakte begroeid.”

"De duinen van Schouwen-Duiveland zijn uniek, al ligt de geschiedenis onder het zand."

Stuifduinen

Duinen zijn in principe dynamisch. Kijk bijvoorbeeld op het brede strand ten westen van Renesse waar nieuwe duintjes zich met polletjes helmgras vormen. Maar de Nederlandse hoge ‘blanke top der duinen’ bestaat niet meer. De stikstofneerslag doet wonderen voor de begroeiing die het zand bedekt en vastlegt. “Om het gebied te onderzoeken, heb je echter stuivende duinen nodig”, doceert Frans. “Het stuifzand waait weg en de oude onderlaag wordt zichtbaar. Daar liggen de scherven uit de ijzertijd, prehistorische botten van koeien en schapen of stukken gewei van edelherten uit de middeleeuwen. Ook vonden we een schedel van een jonge bruine beer. Die dieren leefden ook op de Kop van Schouwen.”

Bedenken

Tijdens hun ‘campagnes’ onderzochten Frans en Bert samen met een ploeg vrijwilligers hoe de duinen van west naar oost opschoven. Zo lag in de Romeinse tijd de westkust ruim een kilometer westwaarts, dus nu in zee. Meer oostelijk wisten boeren rond 1200 aanplant de duinvorming tegen te houden. Maar het zand bleef wel stuiven en zo is de hoge binnenduinrand bij het Slotbos ontstaan.

“Het is een logische ontwikkeling, je moet het echter wel bedenken”, lacht Frans. “Net als waarom we in de meeste westelijke stuifvalleien de oudste scherven vonden. Die zijn het eerst overstoven en mensen trokken telkens meer naar het oosten.”

Promoveren

Het onderzoek in het duingebied verrichtte Frans in zijn vrije tijd. Zijn baan als leraar aardrijkskunde aan de Rijksscholengemeenschap in Zierikzee hielp daar wel bij. Hij kreeg veel vrijheid bij het lesgeven en trok er geregeld met leerlingen op uit. “Zo ontdekten we eind jaren ’80 een stuk oud akkerland dat onder het stuifzand tevoorschijn kwam. Dat was heel interessant.”

“Onderwijs is leuk maar ook wel eenzaam”, vervolgt hij. “Nadat ik een excursie voor historisch geografen over de kust van Schouwen had georganiseerd, vroeg professor Borger of ik bij hem wilde promoveren. Die uitnodiging kwam op een goed moment. In tegenstelling tot de volgebouwde Hollandse kust viel er in het duingebied van Schouwen nog heel veel te ontdekken.”

Ruim honderd jaar geleden was het stuivende duingebied nog veel groter. Om het stuifzand tegen te houden, werd rond 1920 begonnen met de aanplant van dennen. In de crisisjaren was de aanplant ook een werkverschaffingsproject. De Duitse bezetter stopte in 1942 het project om vrij zicht te houden op het kustgebied. De Domeinale duinen werden het Domeinbos, nu Boswachterij Westerschouwen, het grootste bos van Zeeland.

Antwoorden

Het is precies die nieuwsgierigheid die de historisch geograaf drijft. Vragen moeten een antwoord krijgen. “Als ik iets niet weet, sla ik om me heen en schrijf briefjes naar iedereen die relevant kan zijn. Echte briefjes, geen e-mail, en met de hand geschreven. Die vallen op waardoor ik meestal wel een reactie krijg.”

Natuur of cultuur?

Maar wat maakt de duinen op de Kop van Schouwen nou bijzonder genoeg om in 2006 te promoveren op het onderwerp ‘Duinvorming en duingebruik’ op Schouwen? Frans: “Dit duingebied is uniek omdat het, ondanks de vele uitbreidingen van campings en bungalowparken, relatief onbebouwd is. Tegelijkertijd is het al sinds de ijzertijd (800 v.Chr. – begin jaartelling, red.) bewoond. Het heeft in 1953 niet onder water gestaan en is erna niet meegenomen in de ruilverkaveling. Toch zou ik het geen puur natuurlandschap noemen, maar eerder een cultuurlandschap. Uit mijn onderzoek blijkt dat de invloed van de mens door de eeuwen heen veel groter is dan gedacht.”

“Je krijgt van dit alles overigens niets mee als je door de duinen loopt”, dempt hij de verwachtingen. “Het is een prachtig gebied om te wandelen, maar de scherven en andere resten liggen diep onder het zand. Hooguit zie je na een storm de verschillende bodemlagen in de afslag van de kustduinen.”

Frans Beekman is niet de eerste leraar die het Schouwse duingebied doorkruiste op zoek naar sporen van bewoning. De Burghse schoolmeester J.A. Hubregtse deed dat vanaf 1911 tot zijn dood in 1940 hetzelfde. Hij vond overblijfselen uit de prehistorie, de Romeinse tijd en de middeleeuwen. Vijftig jaar later gebruikte Frans deze waarnemingen voor zijn onderzoekingen. “Archiefonderzoek is heel belangrijk, net als fysieke vondsten. Ik kan onze eigen vondsten, bevindingen en dateringen ermee vergelijken. Dat uitzoeken en achter de komma ligt mij wel.”